8-6-2012 – Gotenborg

Vanaf Fredericia naar Gotenborg is een mooie rit geworden. Vanaf het begin vrij snel naar het noorden gereden en veel gezien van de oostkust van Denemarken. Uiteindelijk ruim optijd aangekomen in Fredrikshaven om daar op de boot te stappen. En dan blijkt dat zo’n bootreis vooral de voorkeur geniet van reizigers van boven de 65… Waarschijnlijk ook wel omdat het niet de meest spannende vorm van vervoer is. Het wegvaren is even leuk vanwege het manoeuvreren van de boot in de kleine haven maar de rest van de trip is niet echt de moeite waard. Wel even lekker in de frisse wind én in het zonnetje op het dek gezeten. Pas na 3 uur als de meest van Zweden in zich komt wordt het weer de moeite waard.
Toen we vanaf de boot Gotenborg binnen reden, viel gelijk op wat een mooie en vooral relaxte stad het is. Veel verkeer, veel wegwerkzaamheden, veel voetgangers en fietsers, maar geen enkele claxon… Gewoon stoppen voor elk zebrapad en elke oversteker de te geven. Het is zeker en stad die je een vakantiegevoel geeft. Onze B&B was netjes en lag heerlijk midden in de stad. Helaas dat het museum en het Hasselsbladcenter erg klein en niet echt boeiend waren, maar er hebben heerlijk van het weer genoten in en van de mooiste stadsparken die ik ooit gezien heb. Morgen door naar Tiveden… Ben benieuwd!

6-6-2012 – Legoland

Door Denemarken heen betekend naar Legoland. Tenminste voor elk ‘jochie’ dat vroeger met Lego heeft mogen spelen. Die uiterst herkenbare maar toch doodeenvoudige steentjes. Dat daar een pretpark van te maken is, is op zich al een wonder. En dat dat park dan ook nog eens de moeite van het bezoeken waard zou zijn voor mensen die niet perse komen voor de achtbanen en waterattracties, kan uitzonderlijk genoemd worden. Vandaar dat dit park vandaag met enige reserveringen werd betreden.

Maar geen van de reserveringen bleek noodzakelijk. De attracties zijn voornamelijk voor interessant voor leeftijden tussen de 5 en 12, maar… het Miniland is echt geniaal. Het is een soort Madurodam, maar dan volledig van Lego. Het bestrijkt misschien maar 10 tot 15% van het park, maar alleen hiervoor had ik de hele reis overgehad. Over een aantal verschillende blokken worden meerdere landen en thema’s tot in het detail uitgewerkt.

Nederland heeft een aannemelijk aandeel gekregen, met erg veel clichés uiteraard. Van kassen, grachten, bruggen en caravans, tot gele treinen, draaiorgels en veel fietsjes. Maar voor alles geldt, de detaillering is briljant. In elke hoekje is wel weer iets terug te vinden. En het verbazende vooral, het werkt en draait en beweegt allemaal. Volledig werkende liftsluizen, bruggen, pondjes waarmee echt rijdende bussen naar de overkant worden gebracht. Windmolens, vliegtuigen, vrachtwagens, helikopters, boten, heftrucs, hijskranen, luchtballonnen en uiteraard heel, heel, heel veel treinen.

Als je vroeger (of nu uiteraard) ook maar enigszins iets met Lego hebt gehad, dan is dit park echt een rit naar Denemarken waard!

Denemarken!

Het was even wat omrijden in Duitsland om er te komen, maar we zijn er! Er waren behoorlijk wat files/wegwerkzaamheden, maar gelukkig stonden de meeste de andere kant op.
Denemarken is een land met weinig wegen, veel heuveltjes en vennetjes, maar vooral veel… tankstations! In het kleinste dorpje van misschien vijf of zes wegen, tel je makkelijk 4 tankstations. En dan niet van die kleine onbemande, maar grote bouwerken. Een pinautomaat vinden is een echte kunst, maar een pompstation kost je nog geen halve minuut. Bijna altijd valt zo’n pomp samen met een supermarkt (Aldi of Lidl) en met een fastfoothut (mac of Burgerking).
Verder een erg mooi en natuur-rijk land. Qua heuvelachtigheid verschilt dit zuiderlijkste gebied niet veel met Duitsland, maar het is veel groener, echt veel groener. Met kleine dorpjes met nog kleinere witte kerkjes.
Onze overnachtingsplaats is erg… rustiek. Een klein dorpje met voornamelijk 1 doorlopende straat, waar een bushalte, onze B&B, een paar vakantiehuisjes en een supermarkt/bakker/tourist office/tuincentrum. Maar dicht bij het ‘grote’ Fredericia. Een mooie haven, met een oud centrum en een erg lekker restaurantje met heerlijke tapas. Helaas was dat er vanwege de Dag van de Grondwet veel plekjes waren gesloten. Aan het einde van de dag heerlijk in het zonnetje met een whiskey hier voor de boerderij gezeten, ff lekker genieten!

image

B&B Fredericia


image

Strand bij Borkop


image

Fredericia

image

Haven van Fredericia

Ready to GO!

Kleding… Check
Camera’s… Check
Bier… Check
Kaarten… Check
Koffie… Check
Muziek… Check
Weersvoorspelling… Check :(
Kaartjes Legoland… Check
Boeken… Check
Auto… Check
Weblog…

Check!

Bijdeze de eerste post op de weblog voor onze Roadtrip. Alles is er klaar voor. Morgenochtend vroeg eruit en dan op naar Denemarken. Een overzichtje van de planning:

5 juni start van de roadtrip, eerste stop: Børkop
6 juni Legoland Billund
7 juni met de boot vanaf Fredrikshavn naar Göteborg
9 juni richting “the middle of nowhere”… Tived
16 juni vanaf Tived naar Kopenhavn
21 juni terug naar Nederland (helaas…)

Neelie Kroes (Digital Agenda) : Turning government data into gold [1/2]

Deel 1 ‘Meten is Weten & Weten is Verdienen’

 

Elke vakman zal het bevestigen, beschikken over de juiste en volledige gegevens is van wezenlijk belang. Zonder gegevens en afmetingen kan een vakman niet werken, net zomin als zonder het juiste gereedschap.

Ditzelfde geldt zeker ook voor een vakgebied als de IT. De gegevens zijn soms zelfs het bestaansrecht van een product. Denk hierbij aan een buienradar waarbij het verkrijgen van een correcte voorspelling van de locatie en intensiteit van een regenbui hét product is, aan verkeersinformatie in de kaarten van Google, het herkennen van een song met Shazam, of de prijsvergelijkingen op kieskeurig.nl. Geen van deze applicaties is ook iets waard tenzij het over juiste gegevens kan beschikken.

Het verkrijgen van deze gegevens is dan ook “big business” tegenwoordig. Omdat er veel geld omgaat rond dergelijke applicaties, zijn de gegevens waar deze diensten op zijn gebaseerd letterlijk goud waard. Zo verdient Vodafone aanzienlijke bedragen met het verkopen van de locatie van hun abonnees aan TomTom. Daar gebruiken ze het om te bepalen hoeveel mensen er op de weg zijn (lees: waar de files staan). Vergelijkingssites betalen voor het makkelijk kunnen benaderen van voorraad -en prijsinformatie van webwinkels. Welke op hun beurt weer veel geld over hebben om te weten hoe de klanten de webwinkels hebben gevonden.

Stel je nu eens voor dat je als organisatie beschikt over een grote hoeveelheid gegevens. Noem contactinformatie van je klanten maar ook gedragsgegevens (b.v. belgedrag, surfgedrag, elektriciteitsverbruik, welke berichten vaak worden bekeken, vul maar in…) of statische gegevens (kaartinformatie, documentatie). Al deze ’kennis’ is onderdeel van de organisatie, vaak als bijproduct. De gegevens worden opgeslagen omdat ze onderdeel zijn van of noodzakelijk zijn voor de dienstverlening. Maar op zichzelf vertegenwoordigen deze gegevens ook waarde. Het kost tijd/geld deze te verzamelen plus de markt heeft er geld voor over, dus zou het in principe op de balans kunnen staan. Bekijk het voorbeeld van Vodafone, de gegevens noodzakelijk voor de organisatie zijn bij opstelling (veel) geld waard. Maar denk ook eens aan Facebook, Google en Twitter. Met de ‘main’ service van het bedrijf (resp. sociaal media, zoekmachine, berichtenservice) worden geen directe inkomsten opgebouwd. Maar de kennis die deze diensten opleveren staat wel degelijk in de boeken, want dat brengt uiteindelijke als enige onderdeel geld in het laatje.

M.

Neelie Kroes (Digital Agenda) : Turning government data into gold [2/2]

Deel 2 ‘Teruggeven aan de maatschappij’

 

Zoals Vodafone zijn gegevens als bijverdienste verkoopt, zo verkopen bedrijven als Google en Facebook de gegevens als voornaamste target. Daar is de organisatie gericht op het verzamelen, analyseren en verspreiden van gegevens.

“Jij krijgt toegang tot onze sociale media, als wij al jou foto’s, tags en likes mogen weten.” Klikt als een goede deal. Voor de kant van organisatie tenminste. De gegevens die op een gemiddelde dag achtergelaten worden op de pagina’s van Facebook zijn letterlijk miljoenen waard. En wat krijgt de gebruiker ervoor terug? De mogelijkheid nog meer gegevens online te ‘delen’. Inderdaad, ik ben geen voorstander van een dergelijk businessmodel, maar ik neem het hun niet kwalijk. Wat ik wel op ze tegen heb, is manier waarop ze met hun inkomstenbron (lees: de mensen die hun gegevens delen) omgaan bij bijvoorbeeld het terugtrekken van de gegevens, de openheid over wat er met de gegevens wordt gedaan en manier waarop er wordt omgegaan met kritisch geluid. Maar daar hebben we het een andere keer wel over.

Waar ik nu heen wil is wat te doen als je als organisatie de beschikking hebt over een bepaalde hoeveelheid gegevens. Ze representeren namelijk een bepaalde waarde. ‘Onze’ Neelie Kroes noemde ze het nieuwe goud. Doe je als Facebook, dan ga je ermee de markt op en verkoop je ze aan de hoogste bieder. In Brussel denken ze daar anders over. Alle kennis daar heeft op termijn een geschatte waarde van 70 miljard euro. Uiteraard heeft het verzamelen van de informatie veel geld gekost. Denk aan (wetenschappelijk) onderzoek, financiële en statistische gegevens. Wie dat betaald heeft? Inderdaad ik, en jij. Dus, zijn al deze gegevens van ons. We hebben allemaal een aandeel in een bak gegevens van 70 miljard euro. Dus, zeggen ze nu in Brussel, binnenkort kunnen we de gegevens gewoon downloaden. Wat zal de impact zijn van deze ‘open’ gegevens voor de journalistiek en de vele onderzoeksorganisaties. Iedereen kan zijn (financiële) voordeel gaan doen met deze verzameling van kennis. Brussel hoopt dat een goed voorbeeld goed doet volgen. Daarom zal er een raamwerk worden bedacht waarmee het beschikbaar maken van dergelijke gegevensbronnen kan worden gestructureerd en gepromoot onder de lidstaten.

“We are sending a strong signal to administrations today. Your data is worth more if you give it away. So start releasing it now: use this framework to join the other smart leaders who are already gaining from embracing open data. Taxpayers have already paid for this information, the least we can do is give it back to those who want to use it in new ways that help people and create jobs and growth.”

Neelie Kroes.

Maar wat de impact van dit raamwerk zal zijn op de markt voor ‘het nieuwe goud’, daarover later meer.

M.

Link

Cyberwarfare

Stuxnet… Kijk, verbaas en huiver.

Innovatie of industrie?

Een drieluik. De finale.

Nederland weer terug brengen in de innovatietop van Europa. Dat is het doel van minister Verhagen. Hij is vanuit zijn miniserie van Economische Zaken begonnen met het in kaart brengen van negen innovatiegebieden. Zo is volgens hem in Nijmegen het centrum van de innovatie rondom gezondheidzorg. Dit kan natuurlijk niet  zonder ‘catchy’ naam. Health valley. Daarnaast hebben we in Groningen de Energy valley , de Food valley in Wageningen en de Maintenance valley in Midden- en West-Brabant om er maar een paar te noemen.

Maar wat is de bedoeling van het geografisch indelen van deze innovaties. Mogen we niet meer met energie bezig zijn in Delft, of met gezondheidszorg in Utrecht?

De keuze voor de negen onderscheiden sectoren en de daarbij noodzakelijke afbakening van de sectoren heeft een tot gevolg dat er ongewenst groeperingen gevormd worden. Moderne denkbeelden op het gebied van de industriële organisatie, de internationale handel en de netwerkeconomie benadrukken juist dat het onderscheid tussen bedrijfstakken en sectoren verdwijnt. Innovaties vinden plaats door creatieve samenwerkingen tussen verschillende bedrijven en disciplines.

Als we terug kijken in de tijd, is er een groot argument waarom de bemoeienis van de overhead van belang is, opheffen van marktfalen. En dan voornamelijk het gebruik van zogeheten ‘positieve externe effecten’ bij kennisinvesteringen. Dit klinkt mooi, maar wat doet dat in de praktijk?

Het voornaamste voordeel van deze effecten is dat ze het algemene innovatieniveau verhogen, wat indirect het bedrijfsleven laat profiteren van de extra kennis binnen kennisinstellingen en universiteiten, maar zeker ook van innovaties binnen het bedrijfsleven zelf. De grote moeilijkheid is echter voor de overheid te bepalen wanneer er echt sprake is van positieve externe effecten en wanneer niet. Bedrijven zullen er van alles aan doen, wanneer er vanuit de overheid een pot geld klaar staat, om zoveel mogelijk geld uit die pot te bemachtigen.

Het is dus zaak voor de overheid om dit strategische spel met het bedrijfsleven zo te spelen dat inderdaad kennisinvesteringen en het leggen van waardevolle verbindingen worden beloond die anders niet tot stand zouden zijn gekomen en die grote uitstralingseffecten hebben. Aan dit aspect lijkt op weg naar de top die de Minister met zijn beleidsbrief is ingeslagen, nog geen aandacht besteed.

Innovatie of industrie?

Een drieluik. Deel 2.

Tot voor kort viel het beleid met betrekking tot innovatie onder het miniserie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Maar ja, volgens ons huidige kabinet past het beter onder het miniserie van Economische zaken.

Dit is een behoorlijke erkenning voor de wetenschap als onderdeel van de Nederlandse economie. Maar is dit wel de juiste plaats?

Praten we over wetenschapsorganisatie, dan wil ik jullie graag kennis laten maken met Willis Whitney.

Dr. Whitney gaf rondom de jaren vijftig leiding aan het bijna roemruchte laboratorium van General Electric. Hij had het gebruik elke ochtend een keer het lab binnen te wippen en te vragen of iedereen zich wel amuseerde. Dat was het enige wat hij vroeg. Eens antwoorde een onderzoeker: “Zeker amuseer ik me, maar ik heb geen idee wat het nut van mijn werk voor General Electric is…” Hij reageerde daar toen op door te zeggen dat het niet hun zorg was, maar de zijne. De basis hier achter is het geloof dat wetenschap de motor is van vooruitgang. Vooruitgang hoort ‘curiosity driven’ te zijn. Voortgedreven door nieuwsgierigheid. Dat is waar de wetenschap zich mee bezig moet houden. Niet of het geen wat ze voortbrengen wel te verkopen is.

‘Onze’ Nobelprijswinnaar Andre Geim stelde eens dat 99% procent van ons onderzoek ‘waardeloos’ is. Dat moet ook zo zijn. Die 1% waar we uiteindelijke onze innovatie uit halen, kán volgens hem niet bestaan zonder die 99%.

We zijn in Nederland te lang gefocust geweest op die 1%. Door de ‘maatschappelijke waarde’ te willen meten en de relevatie van het uiteindelijke resultaat aan de kaart te stellen hebben we het wetenschappelijke onderzoek veel te veel resultaatgericht gemaakt. En als dat alles was, maar ook in het bedrijfsleven staat alles in het teken van opbrengst en resultaat.

“Hoe harder men streeft naar innovatie, des te vaker raakt men ervan verwijderd.” De basis van serendipiteit.

Volgende keer deel 3: de finale.

Innovatie of industrie?

Een drieluik. Deel 1.

Export. Dat is het toverwoord tegenwoordig. De magie van de export, die menig economie in Europa beschermd heeft tegen de grote ‘klappen’ van de financiële crisis. Kijk maar een land als Duitsland. De grootste machinefabrikant van de wereld. Niet alleen door giganten als Siemens en Volkswagen, maar zeker ook door de middelgrote industriëlen, die allemaal opereren in hun specifieke vakgebied. Dat doen ze met succes, vaak zelfs als wereldmarktleider op hun stukje.

De reden dat deze bedrijven zo ongevoelig zijn voor een crisis als die van afgelopen jaren? Deze, vaak oude familiebedrijven, zijn onafhankelijk voor de grillen van de beurs en de bijbehorende filosofie van het snelle geld. Deze bedrijven rusten op het geld van investeerders en aandeelhouders met visie voor lange termijn, wat een belangrijke voorwaarde is voor de vaak langdurige ontwikkelprocessen van deze bedrijven.

Kunnen wij dat ook? Kijk naar de feiten en de conclusie kan niet anders zijn dan ‘Zeker kunnen wij dat.’ Onlangs publiceerde een denktank genaamd het Intelligent Community Forum, een onderzoek onder meer dan 300 economische regio’s. Op een zeer respectabele 7e plaats vonden we Brainport. Waarschijnlijk beter bekend als Eindhoven. De reden voor deze notering waren niet alleen de giganten als Philips en ASML, maar zeker ook de clusters aan ‘verborgen’ exportkampioenen. Bedrijven vergelijkbaar met die onafhankelijke drijfveren achter de Duitse economie.

Maar waarom keert Den Haag deze industrie dan de rug toe? Dat heeft zijn oorsprong in een enkel woord. Een woord waar men aan de Bezuidenhoutseweg in Den Haag zo verliefd op schijnt te zijn. Kenniseconomie. Een woord dat in het takenpakket van dhr. Bleker is gegoten, onder de titel innovatiebeleid. Beleid voor het stimuleren van onderzoek. Omdat directe steun aan bedrijven volgens de mensen in Brussel uit den boze is, wordt het geld uitgegeven via kennisinstellingen, die het moeten omzetten naar kennis, wat op zijn tijd, weer terecht moet komen bij die zo belangrijke industrieën. Je zal niemand horen zeggen dat innoveren niet goed is, want is het alternatief, ver-ouderwetsen, een optie?

Waar het om gaat, is het forceren van innovatie via kennisinstellingen als TU en HBO’s. Is het haalbaar om van deze instellingen te verwacht, dat zij de innovatie leveren die onze industrie (lees: economie) aan de gang houd?

In deel twee van het drieluik ‘Innovatie of industrie?’ volgende week over serendipiteit. Het verschijnsel dat de doorbraken in innovatie niet kunnen worden gezocht maar ons overkomen en hoe die staat tegenover de eisen en de pressie van het huidige innovatiebeleid. En wat kan de industrie zelf doen?